BEDOGEEN
‘Wat heb jij op je brood?’
‘Bebogeen!’
De naam doet een product vermoeden uit de petrochemie
of de bouwwereld: een goedje waarmee je kozijnen tegen
houtrot beschermt. Maar eind jaren vijftig, op de
lagere school, hield dat woord een beloftevol verbond
in met de zinnelijke wereld. De toekomst was een vrijwel
wolkenloze hemel, vol zoete dromen. Je geheime broodbeleg
droeg je als een amulet mee naar de poort van het
paradijs.
Jaloers
keek de vraagsteller, ook een ‘overblijver’, me aan
terwijl hij uit zijn trommeltje een treurige aanblik
opdiepte: een natte, rozige broodplak. Een ondraaglijk
ranzige haringlucht, gemengd met tomatensaus, steeg
op en verjoeg direct het aroom van mijn caramelpasta
en daarmee de soezerige stemming waarin ik verkeerde.
Ik deinsde terug, balanceerde op de achterpoten van
mijn stoel en viel groot gebarend languit. De andere
kinderen gniffelden. Mijn proviand, verpakt in spinnenwebben
en verdroogde pissebedden, lag me te verwijten onder
de tafel van de juf. Het overblijven vond plaats in
een lokaal waarin de stoelen in een kring waren gezet.
Eerst moest er gebeden worden voor al die armoede die
meestal tussen de boterhammen school. Ik moet dat gezamenlijk
kauwen tussen de middag goed hebben verdrongen, want
herinner me er weinig van.
Onlangs
stiet ik in een kleine supermarkt op een 450-grams pot
Bebogeen. Ik dacht dat ik droomde. De Ruijter, Bebogeen-caramel
stond erop. Het etiket liet een boterham zien met de
hemelse pasta. Terwijl mijn speeksel begon te stromen
en over te stromen, bekeek ik van alle kanten het mengsel
van suiker, water, glucosestroop, weipoeder, gemodificeerd
zetmeel, caramelpoeder, aroma, voedingszuur (E330) en
de conserveermiddelen E202 en E223. Ogenblikkelijk draaide
ik het dekseltje los en stak mijn neus in de pot. Een
geur die het midden hield tussen gebrande suiker en
de weeë luierlucht van pasgeborenen drong diep
in me door. Een flinke lik van het matglanzende, bruine
goedje, dat oogde als een mengsel van schoensmeer en
boenwas, scheen de enige oplossing om mijn hevige begeerte,
die mij al vaker in de rampspoed had gestort, te stillen.
Hoe zacht en koninklijk gleed al dat romigs over mijn
papillen! Hoe vloog de tijd! Over de deining die in
de winkel ontstond, zal ik niet uitweiden. Die ebde
pas weg toen ik in twaalfvoud het verschuldigde bedrag
op de rolband legde voor de ontvoering van een dozijn
potjes in mijn winkelkarretje.
Laatst
vond ik mezelf terug op een schilderij van Jopie Huisman,
‘Herdenking van de slag om Bruinsma’s bos’, met om mijn
hals een bordje met ‘Bebogeen-eter’. Florissant sta
ik er niet op: een malloot die poogt te salueren, met
aan z’n linkerpink een kikker aan een touwtje en in
z’n rechter jaszak een fles Haarlemmer Olie. Toch moet
ik een van de helden zijn van die veldslag, anders viel
er voor mij niets te herdenken.
Roken
en drinken heb ik afgezworen. Sinds het weerzien van
mijn oude liefde verbleekte mijn passie voor zoete Deense
pijptabak en Italiaanse notenlikeuren: flauwe surrogaten
van dat Ene. Elke dag is het nu feest.
Ik
moet me haasten, want deze week is er maar liefst dertig
cent van de adviesprijs af en er staan al, tien minuten
voor openingstijd, twaalf mensen voor de deur te dringen.
©
Job Degenaar
MS.
DE TOENADERING
Soms
krijgen senioren last van vergankelijkheidsbesef en
verlangen naar hereniging. Dus op een mooie najaarszaterdag
werd er voor de hele familie een vrachtboot uit de jaren
twintig gecharterd voor een dagtochtje over de Waddenzee,
inclusief uitzicht op iets wat Schiermonnikoog moest
zijn en een soort opblaasbare zeehonden, vier in getal,
op een vage zandplaat. De oudste generatie was ongeveer
even oud en krakkemikkig als het vaartuig. De zon brak
door, maar hield het gauw voor gezien. Uit de machinekamer
doeb-doeb-doeb-doebde het. Het wel erg rokerige voordek
en de aanhoudende wind dreven de zwakkeren al vroeg
naar de kajuit. De Beerenburg van de Weduwe Joustra
- we waren in Friesland, nietwaar?- ging daardoor vroeger
rond dan gepland was.
De
aanhang, zo gunstig mogelijk door hun eega's opgelapt,
zocht elkaar op of probeerde zich vergeefs te voegen
in de goeddeels gesloten familieconversatie. Een van
hen begon mijn twee knappe dochters te roemen, die ik
niet heb (zelfs geen lelijke). Een onbekende nicht,
kennelijk bij het sujet horend, begon hem verontschuldigend
bij me weg te trekken. Het jongste kroost dribbelde
joelend en zingend rond, verzwolg in een mum van tijd
de voorraden Mars en chips en probeerde kundig de boel
te versjteren door op onvoorspelbare ogenblikken gevaarlijk
over de reling te hangen, erop te klimmen en die als
evenwichtsbalk te gebruiken. Een vroeg aangeschoten
neef met corpsbal-trekjes pleitte voor herinvoering
van scheepsbeschuit en kielhalen.
Naarmate
de dag vorderde, verspreidde de reünie zich over
het hele oppervlak. De kapiteinshut, de enige ruimte
waar de kinderen niet in mochten, werd een geliefd object
om te bekogelen met drop en rauwe saté. De ingehuurde
bemanning begon, toen de voorraden proviand uitgeput
waren, melig te worden en zette de kapitein aan tot
een dek-aan-dek-race met de veerboot van Schier, die
het scheepje hevig heen en weer deed zwenken. Het gevolg
was dat twee tantes zich kotsend naar de inmiddels verstopte
wc begaven. Enkele neven, die aanvankelijk rond de bardame
hingen en later als wolven de barbecue bestormden, lagen
in de namiddag lallend langs de reling. Anderen zaten,
wanneer het bezit van vrouw en kinderen hen tot matiging
dwong, samen met ontstelde moeders en oma's te wachten
tot het over was.
De overgebleven tomatenketchup werd aan de haaien gevoerd,
die in drommen op ons afstevenden. Nader tot elkaar
konden we niet komen.
©
Job Degenaar

|