Bebogeen + MS. De Toenadering

twee korte verhalen, ooit verschenen in Mens & Gevoelens (red. Paul Haenen)

BEBOGEEN

 

'Wat heb jij op je brood?’

‘Bebogeen!’

De naam doet een product vermoeden uit de petrochemie of de bouwwereld: een goedje waarmee je kozijnen tegen houtrot beschermt. Maar eind jaren vijftig, op de lagere school, hield dat woord een beloftevol verbond in met de zinnelijke wereld. De toekomst was een vrijwel wolkenloze hemel, vol zoete dromen. Je geheime broodbeleg droeg je als een amulet mee naar de poort van het paradijs.

Jaloers keek de vraagsteller, ook een ‘overblijver’, me aan terwijl hij uit zijn trommeltje een treurige aanblik opdiepte: een natte, rozige broodplak. Een ondraaglijk ranzige haringlucht, gemengd met tomatensaus, steeg op en verjoeg direct het aroom van mijn caramelpasta en daarmee de soezerige stemming waarin ik verkeerde. Ik deinsde terug, balanceerde op de achterpoten van mijn stoel en viel groot gebarend languit. De andere kinderen gniffelden. Mijn proviand, verpakt in spinnenwebben en verdroogde pissebedden, lag me te verwijten onder de tafel van de juf. Het overblijven vond plaats in een lokaal waarin de stoelen in een kring waren gezet. Eerst moest er gebeden worden voor al die armoede die meestal tussen de boterhammen school. Ik moet dat gezamenlijk kauwen tussen de middag goed hebben verdrongen, want herinner me er weinig van.

Onlangs stiet ik in een kleine supermarkt op een 450-grams pot Bebogeen. Ik dacht dat ik droomde. De Ruijter, Bebogeen-caramel stond erop. Het etiket liet een boterham zien met de hemelse pasta. Terwijl mijn speeksel begon te stromen en over te stromen, bekeek ik van alle kanten het mengsel van suiker, water, glucosestroop, weipoeder, gemodificeerd zetmeel, caramelpoeder, aroma, voedingszuur (E330) en de conserveermiddelen E202 en E223. Ogenblikkelijk draaide ik het dekseltje los en stak mijn neus in de pot. Een geur die het midden hield tussen gebrande suiker en de weeë luierlucht van pasgeborenen drong diep in me door. Een flinke lik van het matglanzende, bruine goedje, dat oogde als een mengsel van schoensmeer en boenwas, scheen de enige oplossing om mijn hevige begeerte, die mij al vaker in de rampspoed had gestort, te stillen. Hoe zacht en koninklijk gleed al dat romigs over mijn papillen! Hoe vloog de tijd! Over de deining die in de winkel ontstond, zal ik niet uitweiden. Die ebde pas weg toen ik in twaalfvoud het verschuldigde bedrag op de rolband legde voor de ontvoering van een dozijn potjes in mijn winkelkarretje.

Laatst vond ik mezelf terug op een schilderij van Jopie Huisman, ‘Herdenking van de slag om Bruinsma’s bos’, met om mijn hals een bordje met ‘Bebogeen-eter’. Florissant sta ik er niet op: een malloot die poogt te salueren, met aan z’n linkerpink een kikker aan een touwtje en in z’n rechter jaszak een fles Haarlemmer Olie. Toch moet ik een van de helden zijn van die veldslag, anders viel er voor mij niets te herdenken.

Roken en drinken heb ik afgezworen. Sinds het weerzien van mijn oude liefde verbleekte mijn passie voor zoete Deense pijptabak en Italiaanse notenlikeuren: flauwe surrogaten van dat Ene. Elke dag is het nu feest.

Ik moet me haasten, want deze week is er maar liefst dertig cent van de adviesprijs af en er staan al, tien minuten voor openingstijd, twaalf mensen voor de deur te dringen.


 

 

MS. DE TOENADERING

 

Soms krijgen senioren last van vergankelijkheidsbesef en verlangen naar hereniging. Dus op een mooie najaarszaterdag werd er voor de hele familie een vrachtboot uit de jaren twintig gecharterd voor een dagtochtje over de Waddenzee, inclusief uitzicht op iets wat Schiermonnikoog moest zijn en een soort opblaasbare zeehonden, vier in getal, op een vage zandplaat. De oudste generatie was ongeveer even oud en krakkemikkig als het vaartuig. De zon brak door, maar hield het gauw voor gezien. Uit de machinekamer doeb-doeb-doeb-doebde het. Het wel erg rokerige voordek en de aanhoudende wind dreven de zwakkeren al vroeg naar de kajuit. De Beerenburg van de Weduwe Joustra - we waren in Friesland, nietwaar?- ging daardoor vroeger rond dan gepland was.

De aanhang, zo gunstig mogelijk door hun eega's opgelapt, zocht elkaar op of probeerde zich vergeefs te voegen in de goeddeels gesloten familieconversatie. Een van hen begon mijn twee knappe dochters te roemen, die ik niet heb (zelfs geen lelijke). Een onbekende nicht, kennelijk bij het sujet horend, begon hem verontschuldigend bij me weg te trekken. Het jongste kroost dribbelde joelend en zingend rond, verzwolg in een mum van tijd de voorraden Mars en chips en probeerde kundig de boel te versjteren door op onvoorspelbare ogenblikken gevaarlijk over de reling te hangen, erop te klimmen en die als evenwichtsbalk te gebruiken. Een vroeg aangeschoten neef met corpsbal-trekjes pleitte voor herinvoering van scheepsbeschuit en kielhalen.

Naarmate de dag vorderde, verspreidde de reünie zich over het hele oppervlak. De kapiteinshut, de enige ruimte waar de kinderen niet in mochten, werd een geliefd object om te bekogelen met drop en rauwe saté. De ingehuurde bemanning begon, toen de voorraden proviand uitgeput waren, melig te worden en zette de kapitein aan tot een dek-aan-dek-race met de veerboot van Schier, die het scheepje hevig heen en weer deed zwenken. Het gevolg was dat twee tantes zich kotsend naar de inmiddels verstopte wc begaven. Enkele neven, die aanvankelijk rond de bardame hingen en later als wolven de barbecue bestormden, lagen in de namiddag lallend langs de reling. Anderen zaten, wanneer het bezit van vrouw en kinderen hen tot matiging dwong, samen met ontstelde moeders en oma's te wachten tot het over was.

De overgebleven tomatenketchup werd aan de haaien gevoerd, die in drommen op ons afstevenden. Nader tot elkaar konden we niet komen.