Di

22

juni

Bijeengezwegen

Een keuze uit haiku’s, tanka’s en andere (ultra-)korte verzen van Job Degenaar, gepubliceerd vanaf 1975, veelal in andere versie, en aangevuld met recent werk.

Kan een afbeelding zijn van de tekst 'Bijeengezwegen Job Degenaar'

 


BIJEENGEZWEGEN

Uitgeverij Liverse, Dordrecht zomer 2021
ISBN 978 94 92519 69 6
Paperback - Blz. 36 (in kleur)

Vormgeving: Henk van Trooyen

Prijs: € 9.95 (incl. verzendkosten)

Vanaf eind juni verkrijgbaar bij de betere boekhandel of rechtstreeks via de uitgever (verkoop@liverse.nl) 

 

VOORWOORD

In de jaren vijftig van de vorige eeuw verschenen Heinrich Harrers Sieben Jahre in Tibet en The Dharma Bums van Jack Kerouac. In Nederland zag Bert Schierbeeks essay De Tuinen van Zen het licht. Het waren voortekenen van een opkomende waardering voor en behoefte aan een ruimere beleving van de werkelijkheid d.m.v. oosters gedachtegoed. Twee decennia later verrijkten begrippen als mystiek, bewustzijnsleegte, satori, zen-tuinen en de beoefening van zazen onze westerse, door rede en nuchterheid gedomineerde maatschappij. Het boek Zen and the Art of Motorcycle Maintenance (1974) van Robert Pirsig werd een bestseller.
 
In die oosters gerichte interesse gedijde ook de belangstelling voor niet-westerse poëzie, met name voor de door het zenboeddhisme geïnspireerde haiku, die in Japan door de eeuwen heen uitgroeide tot een heuse volkssport, waarbij het literaire gehalte van ondergeschikt belang was. De haiku, een drieregelige versvorm, bestaat uit 17 lettergrepen, verdeeld in 5-7-5 lettergrepen, te vergelijken met een golf die komt aanrollen, zich uitspreidt en terugtrekt. Het aantal lettergrepen zou verwijzen naar de Pali-canon, een heilig boeddhistisch geschrift waarin het langste door zintuigen voortgekomen bewustzijnsproces evenveel gedachte-ogenblikken zou tellen. Globaal gesproken zijn haiku’s lichte, speelse, evocatieve natuurgedichten die doorgaans een momentopname beschrijven. De haiku is voortgekomen uit de vijfregelige tanka, die verdeeld is in 5-7-5-7-7-lettergrepen en waarin vaak sprake is van een tweedeling. In de onderstrofen (het 7-7-gedeelte) wordt bijvoorbeeld commentaar gegeven op de bovenstrofen.
Als amper volgroeide ging mijn interesse in de jaren zeventig sterk uit naar zenboeddhisme, oosterse mystiek en klassieke oosterse poëzie, waaronder ook de haiku. J. van Toorn vertaalde vijfhonderd klassieke Japanse haiku’s in Haiku - een jonge maan. Decennia eerder deden Louis Couperus, Jan Greshoff en J.J. Slauerhoff dit ook met enkele haiku’s. In deze tijdloze poëzie herkende ik veel van mijn eigen belevingen.
 
In het Nederlandse taalgebied werd lange tijd strikt de hand gehouden aan wat als algemene kenmerken van de haiku werd beschouwd: vormtechnisch moest deze uit 5-7-5-lettergrepen bestaan en inhoudelijk moest er sprake zijn van een verwevenheid van mens en natuur. Een natuurervaring, gepaard gaand met een seizoensaanduiding, stond centraal. Beeldspraak was ongepast, want het ging om het doorgeven van een directe ervaring van dichter op lezer, niet via metaforen, die slechts ‘omwegen’ zouden zijn. Volrijm werd ook als storend ervaren. Bovendien moest het ego van de schrijver niet in de weg staan. Het gebruik van het woord ‘ik’ was per definitie al dubieus. Ik herinner me dat er destijds een poster van ‘ik keek naar een ster’ (zie p. 16) werd wildgeplakt in Haarlem, waarboven ‘haiku’ was geplaatst. Een kenner van dit soort poëzie stond toen met een boekenstand op de markt en keek de hele dag tegen de tekst aan. Zij vond die ‘wel mooi’, maar ik moest toch weten ‘dat het geen haiku was’, om hierboven genoemde redenen. Dezelfde tekst verscheen overigens nu en dan in overlijdensberichten in landelijke dagbladen. Kennelijk had de daarin verwoorde beleving bij rouwverwerking een functie. Dat de tekst ook anders geduid kan worden, valt af te leiden uit het feit dat de Haarlemse jong gestorven astrofysicus Jan van Paradijs, internationaal vermaard om zijn onderzoek naar gammaflitsen (er is zelfs een planetoïde naar hem vernoemd), mijn meerduidige tekst gebruikte als motto voor zijn essay Optical observations of com-pact galactic X-ray sources in de verzamelbundel Accretion-driven stellar X-ray sources (Cambridge University Press, 1983), omdat die drie regels naar eigen zeggen precies samenvatten wat hij met het artikel beoogde.
 
In mijn miniatuurwerk, die in deze verzameling de grens van zes versregels niet overschrijdt, is weinig terug te vinden van de naleving van de genre-regels. In wezen ben ik nooit een hardcore haiku- en tankabeoefenaar geweest. Veel van mijn zogeheten haiku’s gingen hun boekje te buiten, vormtechnisch en inhoudelijk. Een haiku of tanka is voor mij in de eerste plaats poëzie, of deze al dan niet voldoet aan een regelgeving die nogal willekeurig opgesteld lijkt te zijn en niet zomaar in geheel andere talen en culturen overgezet kan worden. Bovendien kunnen regels in de loop der tijd verschuiven. In 1975 verschenen mijn eerste haiku’s, vier in getal, in Dordtboek 2, een uitgave van de Culturele Raad Dordrecht. De goede ontvangst ervan overtuigde me van de kracht van weinig woorden.
 
De teksten in Bijeengezwegen zijn uitsluitend gekozen op kwaliteit en bruikbaarheid, wars van prangende keurslijven. Bezie ze vooral vanuit de opvatting ‘Less is more’ (Robert Browning Browning), in het beste geval als verfrissingsdoekjes voor ziel en zintuigen.
 
Job Degenaar, zomer 2021