Di

25

november

C. Buddingh', de man die Literair Dordrecht nog altijd in zijn greep houdt

Foto: Kees Klok. Staande: Wim Huijser.

 

Op 24 november jl. was Cornelis (Kees) Buddingh (1918-1985) op zijn veertigjarige sterfdag weer even 'alive' in zijn geliefde woonplaats Dordrecht. Zijn biograaf Wim Huijser hield 's morgens in de flink gevulde Blauwe Kamer van de Stadsbibliotheek een lezing over de dichter die beroemd werd om zijn Blauwbilgorgel en de lachsalvo's in zalen vol poëzieminnenden als hij uit eigen werk voorlas. Met name de uitermate droge, geraffineerde gedichten als die over het sandwichspreaddekseltje en het als een schaartje (en later als Bernlefs brilletje) ineengekringelde elastiekje werkten uitermate op de lachspieren. Huijser schetste een goed beeld van deze door Dordtenaren geliefde en onbegrepen man. Aan mij werd onverwacht gevraagd mijn variant op Buddingh's beroemde gorgelrijm voor te lezen - het betrof een gedicht dat ik schreef n.a.v. het 65-jarig bestaan van de Blauwbilgorgel in 2007 (overigens een vernederlandsing van Edith Nesbutts 'bluebillgurgle'), waarvan de kopie slecht leesbaar was, omdat het een print betrof van blauwe letters. Met een smartphonelichtje erbij lukte het. 's Middags waren er rondwandelingen naar winkels, gebouwen en geliefde plekjes in het mooie havengebied van Dordrecht, die direct een link met Buddingh'vormden. 's Avonds werden in een uitverkochte zaal o.m. zijn vertalingen van vier vroege gedichten van John Lennon op muziek uitgevoerd.

 

De belangrijkste vraag die de hele dag domineerde, was: waarom heeft deze man geen standbeeld? De gedachte rees om een duostandbeeld op te richten van C. Buddingh' en Otto Dicke, onafscheidelijke vrienden in beeld en poëzie en beiden van grote waarden voor cultureel Dordrecht.

 

Blauwbilgorgel, der dagen moe, verlangt naar het kiezelrijk

 

Ik ben de blauwbilgorgel

En strompel als een zorgel

‘k Behelp me met een steunkouskracht

Ze sjort en rukt uit alle macht

Rabacht! Rabacht! Rabacht!

 

Ik ben de blauwbilgorgel

Ooit woester dan de horgel

Krijg ik nu kroten met een bal

En daarbij gratis haaruitval

Rabal! Rabal! Rabal!

 

Ik ben de blauwbilgorgel

En kwijl gelijk een snorgel

Ik dood mijn laatste levenstijd

Met wachten tot ik word bevrijd

Rabijt! Rabijt! Rabijt!

 

‘k Was ooit die blauwbilgorgel

Die brulde als een torgel

Berijmd, beroemd en lang niet mals

Nu zijn alleen m’n tanden vals

Plavei me, met een wals!

 

Job Degenaar