Di

19

januari

Vroege dichtkunst van Pieter A. Kuyk (1922-1999) - en haar uiteindelijke vorm

Over de ontwikkeling van een dichterschap (periode 1946 -1982)

In 1946 was de 24-jarige Pieter Kuyk leraar aan de Grafische School in Amsterdam en ging hij geregeld om met tijdgenoot Lucebert. Zij hadden, blijkens Peter Hofman in De Parelduiker 2002, jaargang 7, p. 54), elkaar in het najaar van 1945 leren kennen en voelden van meet af aan grote waardering voor elkaar:  https://dbnl.org/tekst/_par009200201_01/_par009200201_01_0020.php
 
In februari 1946 stelde Kuyk op school een vliesdun, met toewijding gemaakt bundeltje samen van veertien van zijn eigen verzen, Op dood spoor door P.A. Kuyk, voorzien van een sierlijk lettertype. Pieter debuteerde laat: in 1982 in de marge bij Wim Simons' uitgeverij De Beuk, stichting voor literaire publicaties (In de kraag van kwaad weer) en in 1995 bij uitgeverij Van Oorschot (Zal ik je wijzen waar ik woon). De laatstgenoemde bundel werd genomineerd voor de C. Buddingh'-prijs, de poëzieprijs voor het beste debuut. Kuyks nuchtere, ironische geest indachtig (we waren vanaf 1977 tot aan zijn dood toe hecht bevriend) lijkt het me niet onmogelijk, ook gezien zijn jonge leeftijd destijds, dat hij met de titel van dit boekje wilde aangeven dat hij als dichter 'op dood spoor' zat wanneer hij op deze wijze doorging.
 
Er staat een gedicht in waarin duidelijk de kwaliteiten van de latere dichter preludeerden:
 
ALLEEN MAAR DE DOOD
 
Ik ben bang voor de oorlogsdood
zonder gezang,
zonder overgang;
alleen maar een steekvlam
ontzettend en groot;
alleen maar de dood....
 
Ook komt er een gedicht 'Portret' in voor:
 
PORTRET
 
't Mysterie - dat zich zoeken laat,
naar oorsprong en naar einde
van lijnen, in het moe gelaat,
die oog en mond verenen,
zodat de mond in d'ogen dorst
en in de kommerholle kaken 
wit droomlicht zwarte moeheid morst -
woelt in het voorhoofd haar "waarom"
dat boven mond en ogen
het lenig schild van logen vlecht
dat 's hartens onrust laf weerlegt
in taal van duizend tongen -
tot een den ander wederspreekt,
de bloedklop door de wering breekt,
der ijdele gedachte,
en 't hart haar eenzaamheid weer voelt
en dieper, desolater woelt
in het voorhoofd haar mysterie
en in het hongermoe gelaat
de lijning, die zich zoeken laat
naar oorsprong en naar einde.
 
In zijn debuut In de kraag van kwaad weer werd deze versie, 36 jaar later, totaal omgegooid en ontdaan van gezwollen taalgebruik en de invloed van zijn bewonderde voorgangers A. Roland Holst en Gerrit Achterberg. De titel, de miniem gewijzigde beginregel en enkele woorden als 'droomlicht' en 'schild' zijn de enige relicten uit de versie van 1946. Daamee werd het gedicht échte poëzie.
 
Portret
 
Mysterie dat zich zoeken laat
naar oorsprong en naar einde
van lijnen in dat moe gelaat
waarin het rusteloos gepraat
over droomlicht van de ogen
als wind laag over water gaat;
het voorhoofd: schild dat 't denken dekt
dat met zijn leger van spitsvondigheden
de schemering van 't hart intrekt
die loert haar baan vrij als de dood zo stil -
gezicht dat niet gevangen wil