Wo

22

september

Recensie 'Bijeengezwegen' in Vuursteen door Simon Buschman

Bijeengezwegen verzen

Simon Buschman

 

Job Degenaar, Bijeengezwegenkeuze uit de haiku’s, tanka’s en ultrakorte verzen (ukv’s), met een voorwoord van de auteur en een biografie/bibliografie, Uitgeverij Liverse, Dordrecht 2021, 36 pp.

 

Bijeengezwegen bevat ten opzichte van een tiental eerdere (verzamel)bundels een betrekkelijk kleine maar interessante keuze uit het werk van Degenaar, uitsluitend met verzen van ten hoogste zes regels. Enkele ervan waren oorspronkelijk langer, maar werden voor deze bundel gecomprimeerd.

De bundel is aantrekkelijk vormgegeven en biedt voor mensen die de auteur nog niet kennen een boeiende kennismaking met zijn dichtkunst. Ik wil hem graag bespreken in het kader van het al eerder verschenen werk, en haal daarbij ook vergelijkbaar werk van andere dichters aan.

 

Handkussen van de tijd

Job Degenaar (1952) publiceert al 45 jaar poëzie. In 2012 verscheen zijn verzamelbundel Handkussen van de tijd1 waarin een ruime selectie van zeven bundels is opgenomen, evenals nog ongepubliceerde verzen. De haiku’s, tanka’s en ukv’s met hooguit zes regels zijn verweven met de langere gedichten tot een bijzondere verzenbundeling die aanvoelt als een poëtisch ecosysteem van een begenadigd dichter. Kenmerkend voor Degenaars vormgebruik (zijn handtekening) zijn beginhoofdletters, nauwelijks interpunctie, nooit een punt aan het einde. Ik richt me nu op de haiku’s, tanka’s en ukv’s in Handkussen van de tijd – hierna: Handkussen.

 

Een klompje merel

het doodst is hij als de wind

z’n veertjes optilt (p.131)

 

Je beleeft wat er staat, weergegeven in een vormvaste haiku met een soepele cadans. Het doet me denken aan Herman Gorter: Een moschje. Zacht trilt de wind/ zijn borstveertjes.

 

In Handkussen ligt in menig vers een haiku of ukv besloten. Alsof die er ongevraagd uit omhoog rijzen: een meeuw vertraagt / zijn vlucht tot hij / roerloos hangen blijft (p. 78).

Thomas Rap zei ooit over Degenaars verzen: ‘heldere poëzie met een raadselachtige glans’, waarvan het volgende vers getuigt:

 

Geruis van eeuwen

door het veen, het gele gras

de den die aanwoei

Wat aan hemelwater valt

spiegelt zich aan zijn oorsprong (p. 155)

 

Een ultrakort vers is ‘korter dan kort’; in de bundel hooguit zes regels. De plaatsing van de zes woorden van Het eerste gebed op zes afzonderlijke regels verbeeldt op meesterlijke wijze het kleine kind dat echt niet begrijpt wat het aan het bidden is, maar intussen wel meedoet met iets gewichtigs in gezinsverband (p. 245):

 

Here

dese

sege

spijse

dranke

ame

 

Ernstige thema’s worden afgewisseld met aanstekelijke humor, zoals een duinkever die als een vliegenier neerploft: In abdijbier nadert zijn ontreddering / nog het meest die van een dronken tor (p. 97). Onzegbaar droef is in ‘Josefov, joods kerkhof’: gedenkstenen schoten de grond uit / elkaar verdringend om licht (p.100)

 

Hertenblues

Vijf jaar later verschijnt Hertenblues, 20172. Deze bundel, met ook foto’s, vind ik Degenaars masterpiece. Opmerkelijk is wel: voornamelijk langere gedichten, slechts zes ukv’s, waaronder de mooie drieregel over een lijster:

 

dat je uren voor het dagen

de dag inluidt en in diep

duister je pas wegzingt (p. 32)

 

Aangrijpend is de terugblik in ‘Opstand’, indachtig een zusje dat verdween. Met daarin: Stil licht over de dingen / we komen en gaan (p. 80)

 

Bijeengezwegen

Weer vier jaar later: Bijeengezwegen. Deze bundeling blijkt – verrassend – enkel te bestaan uit 2-, 3-, 4-, 5- en 6-regelige verzen. Degenaar groepeert ze in de bundel oplopend qua lengte. En: de karakteristieke beginhoofdletter bij elk vers (al die jaren!) is er niet meer!

 

Géén éénregelige verzen. Daarom eerst iets over zo’n vers. De dichter Chris van Geel, 1917-1974, is steeds op zoek naar ‘waar het werkelijk om gaat’. Alom bekend is: Eenvoudig, de duinen, eenvoudig uit Het Zinrijk (1971). In haikukringen raakt het ‘éénregelvers’ ook aanvaard. In de haiku/tanka-bloemlezing Om Niets Om Alles3 staan er drie, waaronder die van Henk van der Werff: kushandjes het afscheid zo lang als het perron (p. 126). Degenaar nam er geen op in de bundel, maar stuurde mij achteraf veertien éénregelverzen, waaronder:

 

de bus doemt uit de mist op – als een verzetsdaad

 

Nu terug naar de bundel, naar de negen tweeregelverzen.

Bij een tweeregelvers denk je gauw aan het epigram/puntdicht: Uit nacht rijst morgenrood: Het leven uit de dood. A.C.W. Staring, 1749-1794. Puntdichten hebben doorgaans iets schertsends en/of belerends; iets van de senryu. Een vers van Rachel van Lier: een haiku of ukv? – oordeel zelf: de stampende locomotief / trekt een stoomspoor door het sneeuwlandschap Bij Degenaar gaat het om het puur poëtische, zoals in het openingsvers: zie mij, glimworm, stralen / en straks al haast vergeten doven (p. 13)

 

Vervolgens het drieregelvers: zesentwintig verzen in de haikuvorm, met – op een enkele na – 5-7-5 lettergrepen (waaronder het eerste vers in deze bespreking, maar nu dus zonder hoofdletter). Er zijn overigens van andere auteurs ook schitterende drieregelverzen bekend die een haikugelijkenis vertonen, zoals dit vers van Willem Hussem4, die nooit sprak over haiku’s of tanka’s:

 

geluiden van trekvogels

aan de nachthemel

overstemmen de regen

 

Er hebben, vanuit Handkussen naar deze bundel toe, diverse ‘verdichtingen’ plaatsgevonden van een meerregelvers naar een drieregelvers. Een voorbeeld: Dwars door een mist van plichten / drie vissers en vier reigers / zij aan zij in stil verbond / met diepe lijnen naar de diepte (p. 130) Degenaar maakt er in Bijeengezwegen een min of meer vormvaste haiku van die, zie ernaast, zeker ook anders gegroepeerd had kunnen worden:

 

drie vissers, zij aan zij         drie vissers 

in stil verbond, met dunne   zij aan zij in stil verbond

lijnen naar de diepte           met dunne lijnen naar de diepte

 

De acht vierregelverzen (ieder met een witregel) hebben menig keer veel van een ingekorte tanka of een haiku met één regel meer, zoals het langere vers uit Handkussen, in een verdichte versie voor Bijeengezwegen (p.20):

 

avond, een koe seint monotoon

over wit uitgeslagen velden

 

van een deur

die dichtvalt de echo

 

Het al eerder aangehaalde kindergebed staat in deze bundel als volgt afgedrukt: ik vouwde heel devoot / mijn beide knuistjes samen: // ‘here-dese-sege / spijse-dranke-ame’

(p. 21)

 

Binnen de twaalf vijfregelverzen waarvan zeven niet alleen in de tankavorm, maar in de geest ook ware tanka’s, bevindt zich voor mij het kroonjuweel (p. 23):

 

’s nachts onder de brug

waarop verkeer raast

wadend in wijde kringen

de stille gemeenschap van

eenden, rustend in zichzelf

 

Van de acht zesregelverzen komen de meeste onveranderd uit Handkussen, maar nu zonder titel; soms een gemis, zoals:

 

heuvels van mist, armoe

en dronkenschap

 

waar morsige schapen

hun tijd uit vreten

 

turf te drogen ligt

in de regen (p. 26)

 

Het gaat hier om het Ierse graafschap Donegal, waarover de titel opheldering had verschaft. Een fraai detail – een recensent: ‘Hier gloort een spreekwoord: Hé, leg jij je turf weer in de regen te drogen?’

 

Het kevergedicht waaruit ik twee regels citeerde heeft deze bundel ook gehaald: zwaar bepantserd, met uitschuifbaar materieel / kapseist de kever tussen duin en helm // als vliegenier is hij een roekeloze / die als zijn motor afslaat, neerploft // in abdijbier nadert zijn ontreddering / nog het meest die van een dronken tor (p. 26)

 

Degenaar schaart zijn verzen onder het algemene begrip ‘poëzie’. Ter afsluiting van zijn voorwoord zegt hij dat het hem niet gaat om typeringen als haiku, tanka, ukv met hooguit zes regels. Het gaat hem om de poëzie pur sang.

 

In vorige publicaties benoemde hij de haiku en de tanka bijna altijd als zodanig, maar kennelijk vond er een omslag in zijn denken plaats. De groepering van de gedichten op basis van het aantal regels heeft me daarom verbaasd. Het suggereert dat de auteur de verschillende lengtes van zijn gedichten als even zoveel verschillende versvormen ziet, terwijl ik eerder het gevoel heb dat het ultrakorte vers bij hem op natuurlijke wijze de vorm krijgt die het meest ideaal is voor wat het wil uitdrukken. Wellicht had een plaatsing van de gedichten op thematische basis daarom meer voor de hand gelegen.

 

1. Job Degenaar, Handkussen van de tijd, uitgebreide versie, Uitgeverij Liverse, Dordrecht 2012 (3de druk)

2. Job Degenaar, Hertenblues, Uitgeverij Liverse, Dordrecht 2017

3. Bloemlezing Om Niets Om Alles, Haiku Kring Nederland, 2020

4. Willem Hussem, Warmte vergt jaren groei, p. 101, Plint, Eindhoven 2004 (3de druk)

 

http://www.jobdegenaar.nl

 

 

Recensie in Vuursteen – Tijdschrift voor haiku, senryu en tanka. Herfst 2021, Jaargang 41, nummer 3, p.115-119.